Leidt betere samenwerking in lokale dementienetwerken tot minder crisissituaties?

8 december 2020

Mensen met dementie blijven steeds langer thuis wonen. De problemen waar zij en hun naasten mee te maken krijgen worden daardoor steeds complexer. Voor het bieden van de juiste zorg en ondersteuning aan deze kwetsbare mensen, is het belangrijk dat alle betrokken professionals goed met elkaar samenwerken. Marieke Perry en Minke Nieuwboer van het Radboudumc vertellen hoe DementieNet hierbij helpt. Dit project werd gefinancierd door Memorabel, het onderzoeksprogramma van het Deltaplan Dementie.

Vaak zijn veel verschillende professionals betrokken bij de zorg voor mensen met dementie: van de huisarts en de wijkverpleegkundige tot de ergotherapeut en de casemanager. “Iedereen doet waar hij of zij goed in is, maar deze werkzaamheden worden onderling niet met elkaar afgestemd”, zegt Minke Nieuwboer, onderzoeker en projectcoördinator van DementieNet bij het Radboudumc. Het gevolg? Mensen met dementie krijgen niet de kwaliteit van zorg die nodig is. Om deze samenwerking te verbeteren, ondersteunt DementieNet bij het vormen en in stand houden van lokale zorgnetwerken rondom mensen met dementie in wijken, dorpen of gemeentes. Daarnaast biedt DementieNet ook masterclasses, trainingen en symposia voor professionals, bijvoorbeeld over omgaan met probleemgedrag bij dementie, dementiediagnostiek of palliatieve zorg.

 

De netwerken ontvangen jaarlijkse feedback over de zorgkwaliteit, zodat ze de samenwerking continu kunnen blijven verbeteren

 

Continu verbeteren

DementieNet biedt in de eerste plaats ondersteuning bij het vormen van een lokaal netwerk, voor zover dat nog niet bestaat. Idealiter bestaat dit uit ten minste een huisarts, (wijk)verpleegkundige, welzijnswerker en mantelzorger. Vervolgens zijn er een of twee professionals nodig die de rol van netwerktrekker op zich willen nemen. Dit kan bijvoorbeeld een praktijkondersteuner, casemanager, huisarts of wijkverpleegkundige zijn. “We weten uit ervaring dat deze netwerktrekker cruciaal is voor het opzetten en duurzaam in stand houden van een netwerk”, zegt Minke. Deze trekkers worden ondersteund met coaching en training op het gebied van leiderschap, waarin ze bijvoorbeeld leren hoe ze de samenwerking binnen een netwerk kunnen helpen faciliteren en hoe ze moeten omgaan met eventuele problemen. Bij de start van elk netwerk wordt de kwaliteit van zorg in kaart gebracht, bijvoorbeeld door te kijken naar de aanwezigheid van een multidisciplinair overleg, casemanagers en een zorgplan. Deze kwaliteit wordt vervolgens jaarlijks gemeten. De feedback wordt teruggegeven aan het netwerk, zodat zij op basis daarvan een verbeterpunt kunnen kiezen. In totaal duurt het ondersteuningsprogramma van DementieNet twee jaar. “Het idee is dat er daarna genoeg vaardigheden zijn om het netwerk zelf aan de gang te houden”, zegt Marieke Perry, senior onderzoeker bij het Radboudumc en huisarts. De netwerken blijven de jaarlijkse feedback over de zorgkwaliteit ontvangen, zodat ze de samenwerking ook na afloop van DementieNet continu kunnen blijven verbeteren. Onder andere deze gegevens worden ook gebruikt voor het onderzoek naar de (lange termijn) effecten van DementieNet op de kwaliteit van de zorg.  

 

De lijntjes tussen alle betrokken professionals worden korter, waardoor de zorg en ondersteuning beter op elkaar en op degene met dementie afgestemd is

 

Beter op het netvlies

Het accepteren en gunnen van het leiderschap van de netwerktrekker(s) is een belangrijke voorwaarde voor het slagen van een netwerk. Ook de huisarts speelt een cruciale rol. “Als een huisartsenpraktijk niet aangehaakt is, komt een netwerk moeilijk van de grond of stagneert het in de ontwikkeling”, zegt Marieke. Huisartsen stappen echter vaak aarzelend in het netwerk, omdat ze denken dat het alleen maar extra werk en overleg kost. “Bovendien beseffen huisartsen vaak niet dat professionals buiten de eigen praktijk ook tot hun netwerk kunnen behoren en dat het zinvol kan zijn met hen te overleggen”, voegt Minke daar aan toe. Toch blijkt dat huisartsen al snel de meerwaarde van meer lokale samenwerking onderkennen: de lijntjes tussen alle betrokken professionals worden korter, waardoor de zorg en ondersteuning beter op elkaar en op degene met dementie afgestemd is. Een ander voordeel is dat huisartsen mensen met dementie beter op het netvlies krijgen. “In één van de netwerken werkt een aantal huisartsenpraktijken met elkaar samen. Na de aanmelding bij DementieNet haalden zij vijf patiënten met dementie uit hun gezamenlijke dossiers. Een enorme onderschatting natuurlijk”, zegt Marieke. “Ik heb de huisartsen en praktijkondersteuners vervolgens een korte scholing over het signaleren en diagnosticeren van dementie gegeven. In de twee maanden daarna kwamen er zeven nieuwe patiënten met dementie aan het licht, en na twee jaar waren dat er zevenentwintig.

 

Crisis voorkomen

Het tijdig herkennen van dementie is belangrijk voor mensen met dementie en hun naasten, maar ook voor de netwerken. Het idee daarachter is dat het inzetten van de juiste zorg en ondersteuning crisissituaties thuis zou kunnen voorkomen. Marieke vertelt dat de effectiviteit van de netwerken in kaart wordt gebracht met die gedachte in het achterhoofd. “De eerste analyses laten zien dat de netwerken die langer dan twee jaar bestaan met minder crisissituaties en -opnames te maken hebben dan de netwerken die korter met elkaar samenwerken”, legt Marieke uit. “Het is een mooie voorlopige bevinding waar wij heel enthousiast van worden, omdat een crisissituatie voor alle betrokkenen een heel heftige gebeurtenis is. Het is een enorme winst als blijkt dat we die situaties door goede netwerksamenwerking kunnen voorkomen.” Dat heeft dan ook direct effect op de dagelijkse zorgpraktijk. DementieNet is een namelijk mooi voorbeeld van een project waarin onderzoek en praktijk nauw met elkaar verweven zijn. “Elk netwerk kan direct aan de slag gaan met de gegevens die wij binnen hun netwerk verzamelen. We hopen dat deze spiegeling ook na afloop van het project kan blijven doorgaan, zodat de bestaande netwerken zich continu kunnen blijven verbeteren en we crisissituaties steeds vaker kunnen voorkomen”, zegt Marieke. De onderzoekers zijn op dit moment bezig met het borgen van de aanpak, enerzijds via de ketens dementie in de regio’s waar de meeste netwerken zijn (Zuid-Gelderland en Twente) en anderzijds via de zorggroepen voor huisartsen in deze regio’s.

 

Wil je meer weten over DementieNet? Kijk dan op www.dementienet.com

 

De resultaten

  • 40 lokale netwerken zijn actief als DementieNet, voornamelijk in de regio Nijmegen
  • Een effectieve aanpak voor ondersteuning van deze netwerken, inclusief een programma om netwerkleiderschap te ondersteunen
  • In de eerste 13 netwerken werd in een periode van 1 tot 2 jaar een stijging gemeten van de netwerksamenhang en van de kwaliteit van zorg die de netwerken leverden
  • De ontwikkeling van netwerksamenhang en kwaliteit van zorg blijken aan elkaar gerelateerd te zijn: betere samenwerking leidt inderdaad tot betere kwaliteit
  • In samenwerking met professionals, mantelzorgers en bestuurders voor eerstelijns interprofessionele dementiezorg is een zogeheten Minimum Data Set (MDS) ontwikkeld. Hiermee kan op basis van 15 indicatoren op verschillende gebieden (netwerk, kwaliteit van zorg, welzijn en kosten) eenvoudig het functioneren van het netwerk in kaart worden gebracht
  • Oplevering van een prototype dashboard voor het meten van bovenstaande indicatoren
  • Langdurige dataverzameling van jaarlijkse metingen (waarvan sommige al vanaf 2015) van > 40 netwerken